De claim dat een partij als PRO de fakkel van de vooruitgang draagt is een van de grootste politieke misvattingen van deze tijd. De naam suggereert een beweging die gericht is op de toekomst en op de verbetering van het menselijk lot door middel van vernieuwing en groei. In de praktijk zien we echter een paradoxale werkelijkheid waarin progressiviteit wordt gereduceerd tot het toekennen van abstracte nieuwe rechten en morele symboliek terwijl de materiële basis van onze welvaart stelselmatig wordt ondermijnd. Wat men verkoopt als een stap voorwaarts is in feite een diep conservatieve reflex die de samenleving dwingt tot stilstand en zelfs achteruitgang. Het label progressief is een valse vlag geworden die de werkelijke starheid van het programma moet maskeren.

Echte progressie zou moeten betekenen dat de levensstandaard van de breedste lagen van de bevolking stijgt door technologische doorbraken en economische dynamiek. Wanneer een partij echter wetgeving propageert die innovatieve energiebronnen blokkeert en industriële bedrijvigheid bemoeilijkt onder het mom van een ideologisch ideaal dan is het resultaat niet modern maar reactionair. De cijfers liegen niet en we zien dat de kosten van deze zogenaamde vooruitgang onevenredig hard neerkomen bij de mensen die het al moeilijk hebben. Een beleid dat de prijzen van basisbehoeften zoals energie en voedsel opdrijft door innovatie te dwarsbomen duwt burgers terug in de armoede. Dat is geen sociale vooruitgang maar een terugkeer naar tijden van schaarste die we juist dachten te hebben overwonnen.

Het fundamentele verschil tussen de Europese en de Amerikaanse economische structuur komt nergens zo duidelijk naar voren als in de reactie op grote crises. Wanneer we de Verenigde Staten observeren zien we een systeem dat ondanks politieke turbulentie en soms grillig beleid een ongekende veerkracht vertoont. Onder de verschillende administraties van de afgelopen jaren waaronder die van Trump zijn er keuzes gemaakt die door critici als destructief werden bestempeld maar de onderliggende economische motor bleef draaien. De reden hiervoor is simpel en tegelijkertijd confronterend voor de Europese bril de Amerikaanse economie is gebouwd op flexibiliteit en de vrijheid om te bewegen. Bedrijven daar kunnen in tijden van nood razendsnel afschalen en wanneer de zon weer gaat schijnen met dezelfde snelheid weer opschalen. Dit mechanisme zorgt ervoor dat kapitaal en talent altijd naar de meest productieve plekken vloeien in plaats van vast te roesten in sectoren die hun beste tijd hebben gehad.

In Europa zien we precies het omgekeerde effect. Door een woud aan regelgeving die door partijen als PRO wordt gepresenteerd als noodzakelijke bescherming van de burger is elke vorm van dynamiek uit het systeem verdwenen. De wetgeving maakt het voor ondernemers bijna onmogelijk om de omvang van hun personeelsbestand aan te passen aan de economische realiteit van het moment. Het resultaat is een economie die log en traag is geworden. Elke externe schok of internationale crisis slaat in Europa drie keer zo hard in omdat we het vermogen hebben verloren om mee te veren. Bedrijven die niet mogen krimpen wanneer het slecht gaat zullen uiteindelijk ook niet durven groeien wanneer het goed gaat. Ze blijven hangen in een staat van permanente voorzichtigheid waarbij innovatie en uitbreiding worden gezien als een te groot risico.

Deze starheid heeft diepe menselijke consequenties die de humanistische idealen van progressiviteit juist ondermijnen. Wanneer een systeem zo vastloopt dat bedrijven bijna niet meer kunnen investeren in mensen omdat je ze simpelweg niet meer kwijtraakt ontstaat er een verlamming die de arbeidsmarkt op slot zet. Ondernemers durven het risico van een vast contract niet meer aan wat leidt tot een enorme vlucht naar arbeidsmigratie. De roep om arbeidsmigranten is vaak geen ideologische keuze maar een bittere noodzaak om de flexibiliteit te vinden die de eigen wetgeving heeft weggeorganiseerd. Men creëert een gesloten kaste van mensen met een vast contract die tot aan hun pensioen beschermd zijn terwijl een groeiende groep migranten en flexwerkers de werkelijke dynamiek van de economie moet opvangen. Dat is geen rechtvaardige samenleving maar een samenleving die de werkelijkheid ontkent.

De nadruk binnen PRO ligt vaak op het creëren van een moreel kader waarin alles draait om sociaal wenselijke terminologie en het uitbreiden van theoretische rechten. Hoewel dit op papier sympathiek kan klinken biedt het geen antwoord op de reële problemen van de werkende klasse. Een recht op papier betekent weinig wanneer de economische realiteit om je heen verschraalt door een overdaad aan beperkende regels. Het is een vorm van politieke cosmetica die de werkelijke conservatieve aard van het programma maskeert. Men wil de bestaande wereld conserveren in een glazen stolp van regelgeving in plaats van de risicos te durven nemen die nodig zijn voor echte transformatie. In het humanistische wereldbeeld staat de menselijke ontplooiing centraal en die ontplooiing vereist middelen en kansen. Door de focus te verleggen van productie naar restrictie handelt men fundamenteel anti humanistisch.

Cijfers laten zien dat Europa op het gebied van productiviteitsgroei en technologische adaptatie mijlenver achterloopt op regio’s waar de arbeidsmarkt dynamischer is. Terwijl wij ons in Brussel en in de programma’s van partijen als PRO bezighouden met de symboliek van een plastic dopje dat aan een fles vastzit verliest het continent zijn relevantie op het wereldtoneel. De Verenigde Staten laten zien dat echte innovatie voortkomt uit een drang om grenzen te verleggen in plaats van ze te stellen. Daar wordt gezocht naar oplossingen die de welvaart vergroten terwijl Europa vastloopt in een moeras van regelgeving die voortkomt uit een angst voor de toekomst. De politieke linkerflank profileert zich graag als de voorhoede van de moderniteit maar hun voorstellen zijn vaak gebaseerd op een nostalgisch verlangen naar een overzichtelijke wereld die nooit heeft bestaan.

Het is tijd dat we de Amerikaanse flexibiliteit niet langer zien als een gebrek aan beschaving maar als een krachtig instrument voor overleving in een veranderende wereld. De Europese obsessie met micromanagement en het vastleggen van elk detail in wetgeving heeft ons kwetsbaar gemaakt. Een werkelijk progressief en humanistisch midden moet durven erkennen dat vrijheid en flexibiliteit de brandstoffen zijn voor een gezonde samenleving. Zonder de mogelijkheid om fouten te maken om te herstellen en om opnieuw te beginnen zal de Europese economie alleen maar verder wegzakken in de marge van de wereldgeschiedenis. Het negeren van deze economische wetmatigheden getuigt van een gevaarlijke naïviteit. Het is niet sociaal om een systeem te verdedigen dat innovatie stopt en armoede in de hand werkt door starheid.

Het politieke midden moet de moed hebben om de balans te herstellen. Dat betekent dat we moeten durven zeggen dat te veel rechten in de praktijk kunnen leiden tot het recht op werkloosheid of een leven in de marge. Vooruitgang is niet het eindeloos stapelen van restricties maar het creëren van een omgeving waarin talent en kapitaal elkaar kunnen vinden zonder dat daar een leger aan juristen en bureaucraten tussen zit. We moeten de feiten onder ogen zien we hebben een economie nodig die kan ademen. De weg naar de toekomst wordt niet geplaveid met verboden maar met de moed om de verworvenheden van de mensheid te gebruiken voor verdere expansie. Alleen door de confrontatie met de werkelijkheid aan te gaan kunnen we een koers varen die daadwerkelijk leidt naar een betere wereld in plaats van een moreel superieur ogende stilstand.

,