In de 18e eeuw voeren de schepen van de Europese handelscompagnieën een strak geregisseerde route. Ze brachten goedkope industriële goederen naar West-Afrika en laadden daar menselijke arbeidskracht in. Die mensen transporteerden ze naar de plantages in de Amerika’s om vervolgens terug te keren naar Europa met ruwe grondstoffen zoals suiker, tabak en katoen. De enorme winst bleef achter in de grachtenpanden van Amsterdam en de banken van Londen. De oude koloniën bleven daarentegen achter met een ecologische en sociale kaalslag.
Wat we vandaag de dag zien, is een moderne, digitale variant van deze oude handelsroute. De schepen van nu zijn webcrawlers en de geëxtraheerde grondstof is data. Silicon Valley heeft de blauwdruk van de oude driehoekshandel perfect gekopieerd.
Terwijl het westerse internet langzaam achter stevige juridische muren verdwijnt, hebben de techreuzen hun vizier gericht op de onontgonnen datamijnen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika. De grote bedrijven achter kunstmatige intelligentie hebben deze informatie hard nodig om hun modellen te voeden. Maar het Mondiale Zuiden (de verzameling van opkomende economieën buiten het Westen) weigert de rol van passief wingewest te accepteren. Er voltrekt zich op dit moment een stille geopolitieke bewapening waar we in het Westen nog maar weinig van meekrijgen. De strijd om de controle over cultuur en digitale identiteit is losgebarsten.
De extractie van data verloopt via een strak proces. Webcrawlers van techreuzen zoals OpenAI, Google en Anthropic halen lokale literatuur, eeuwenoude culturele tradities en talen weg uit landen als Vietnam, India, Kenia en Brazilië. In de Amerikaanse datacenters worden deze ruwe data geraffineerd. Het zware, psychologisch belastende handwerk om toxiciteit te filteren en data te labelen wordt vervolgens voor een hongerloon uitbesteed aan micro-workers (mensen die online voor heel lage bedragen kleine digitale deeltaakjes uitvoeren) in lagelonenlanden zoals de Filipijnen. Dit leidt tot data-subjugatie, waarbij opkomende economieën de grondstoffen en de goedkope arbeid leveren, terwijl het rijke Noorden de financiële meerwaarde incasseert.
In de westerse media lijkt de strijd tegen AI-giganten puur een juridisch geschil over dollars en auteursrechten, zoals de rechtszaak van de krant The New York Times tegen OpenAI. Buiten het Westen gaat de discussie veel dieper en draait het om culturele autonomie en nationale veiligheid. Wanneer een Amerikaans computermodel de geschiedenis van Zuidoost-Azië interpreteert of landbouwadviezen formuleert voor Afrikaanse boeren, dwingt het die lokale realiteit door een kunstmatige westerse lens. Het is een vorm van zachte macht waarin een algoritme uit Californië bepaalt wat historisch accuraat is. Chinese rechters grepen recent al in door te eisen dat eisers concreet bewijs moeten leveren van menselijke creatieve controle voordat een kunstmatig gegenereerd product auteursrechtelijke bescherming geniet, om zo te voorkomen dat buitenlandse algoritmen de lokale markt verstikken.
Landen in Azië en Afrika pikken deze digitale exploitatie niet langer en slaan de handen ineen via de Digital Bandung-beweging (een verwijzing naar de historische conferentie uit 1955 waarin jonge onafhankelijke staten kozen voor een eigen koers los van de wereldmachten). De landen binnen de ASEAN (het economische samenwerkingsverband van tien Zuidoost-Aziatische landen) eisen nu strikte content provenance (het sluitende bewijs van de exacte herkomst van trainingsdata). Techreuzen moeten precies aantonen waar hun data vandaan komt en of daar toestemming voor was. Vietnam bouwt momenteel aan wetgeving die het ongevraagd leeghalen van de eigen cultuur en taal simpelweg behandelt als de diefstal van een nationale grondstof.
De meest effectieve defensie is echter de aanval door de bouw van eigen soevereine AI (technologie die volledig in eigen land is ontwikkeld en beheerd). India weigert een passieve consument te worden en gebruikt de enorme nationale digitale infrastructuur om eigen computermodellen te trainen in de tientallen officiële talen en honderden dialecten van het subcontinent. De boodschap van New Delhi aan Silicon Valley is helder, want wie toegang wil tot de Indiase markt moet de data lokaal bewaren en investeren in de lokale infrastructuur. In het Midden-Oosten hebben de Verenigde Arabische Emiraten met hun Falcon-modellen laten zien dat eigen technologie een machtig geopolitiek instrument is. Door miljarden te investeren in modellen die de nuances van de Arabische taal en cultuur echt begrijpen, dwingen ze westerse bedrijven om te concurreren met hoogwaardige technologie uit de regio zelf.
De digitale wereldorde stevent in sneltreinvaart af op een binaire splitsing tussen de programmeurs en de geprogrammeerden. De strijd die zich nu afspeelt in New Delhi, Jakarta en Nairobi laat zien dat de toekomst van kunstmatige intelligentie niet exclusief in Amerika wordt beslist. Het gaat om de existentiële vraag wie de geschiedenis en de normen van de mensheid mag coderen, en het Mondiale Zuiden heeft zijn grenzen getrokken.
