Het begint inmiddels een herkenbaar patroon te worden voor iedereen die dagelijks achter een scherm zit. Je gebruikt al jaren een specifieke softwaretool die uitblonk in wat hij deed, zoals een vlijmscherpe aanpak op basis van menselijke invoer of een vlot gestroomlijnde werkstroom. De applicatie was simpelweg perfect tot de onvermijdelijke update met kunstmatige intelligentie om de hoek kwam kijken. In plaats van de vertrouwde precisie word je ineens geconfronteerd met een opdringerige assistent die ongevraagd je teksten herschrijft of samenvattingen genereert waar je nooit om hebt gevraagd. De interface vertraagt door overbodige functies die de pure kern van het product vertroebelen. Vertaalmachine DeepL is hiervan een pijnlijk voorbeeld. Jarenlang was dit de onbetwiste koning van de subtiele vertaling dankzij superieure algoritmes. Sinds de drang om er een generatieve schrijfhulp van te maken klagen intensieve gebruikers dat de tool vaker fantaseert (hallucineert, oftewel het verzinnen van onjuiste feiten door een computermodel) en de echte functionaliteit volledig uit het oog verliest. Het product is objectief gezien slechter geworden omdat we midden in een collectieve psychose van de techindustrie zitten. Deze gekte heeft griezelig veel weg van de beruchte millenniumwisseling.
Om te begrijpen waarom miljardenbedrijven momenteel hun eigen succesvolle producten saboteren, moeten we terug naar het jaar 1999. Tijdens de dotcombubbel (de periode waarin internetbedrijven op de beurs astronomische waarderingen kregen zonder winst te maken) heerste er een panische angst onder gevestigde ondernemingen. Het maakte niet uit wat je verkocht, want als je geen internetstrategie lanceerde, deed je voor de beurs simpelweg niet meer mee. Grote winkelketens pompten miljarden in ondoordachte webinitiatieven om aandeelhouders te kalmeren en de traditionele economische wetten werden tijdelijk failliet verklaard. Het resultaat is bekend toen in de maand maart van het jaar 2000 de markt kantelde en de technologiebeurs Nasdaq volledig instortte. Bedrijven zoals Pets.com verbrandden honderden miljoenen aan durfkapitaal (investeringsgeld voor risicovolle jonge bedrijven) zonder een splinter van een solide verdienmodel en verdwenen direct van de aardbodem. Vandaag de dag zien we exact dezelfde dynamiek terugkeren. Directeuren worden door investeerders genadeloos afgestraft als ze tijdens de presentatie van de kwartaalcijfers de term AI niet minstens 30 keer laten vallen. De angst om de boot te missen is groter dan de zorg voor de productkwaliteit en dus wordt de nieuwe technologie overal in de maag van de consument gesplitst, of de noodzaak nu helder is of niet.
Veel optimisten beweren dat er zoveel geld in de sector wordt gestoken dat er wel iets moois uit moet komen, maar wie beter naar de geldstromen kijkt, ziet een gevaarlijke kringloopeconomie die op los zand is gebouwd. Grote techreuzen investeren miljarden in jonge startups. Dat geld verlaat de sector echter nauwelijks. Die jonge bedrijven gebruiken die miljarden direct weer om cloudcapaciteit (digitale opslagruimte en rekenkracht op externe servers) in te kopen bij diezelfde techreuzen of om peperduure chips aan te schaffen bij de weinige hardwaregiganten die de markt domineren. Het is een gesloten kringloop die op papier astronomische omzetten genereert. Deze omzet is echter grotendeels gebaseerd op investeringen en niet op eindgebruikers die daadwerkelijk betalen voor een structurele oplossing. Grote analisten waarschuwen inmiddels dat de werkelijke softwareomzet uit deze nieuwe producten slechts een fractie is van de honderden miljarden die momenteel wereldwijd in datacenters worden gepompt. De prognose over hoe dit kapitaal ooit terugverdiend moet worden ontbreekt simpelweg.
Het grootste slachtoffer van deze kapitaalrace is de gebruikerservaring. De huidige AI is in de basis een statistische waarschijnlijkheidsmachine die vooral uitblinkt in het genereren van het gemiddelde. Wanneer je een tool die gebaseerd is op menselijke expertise vervangt door een statistische gokmachine, ruil je kwaliteit in voor kwantiteit. Zo verving zoekmachine Google haar betrouwbare index van links door automatische overzichten, waardoor de zoekmachine gebruikers nu vaker foute informatie voorschotelt. De basisfunctionaliteit is hiermee ernstig vervuild. Ook klantenservices ontslaan menselijke experts voor AI-chatbots, waardoor de consument strandt in een moeras van beleefde maar volstrekt nutteloze antwoorden. Productiviteitssoftware pusht ondertussen automatische samenvattingen die de nuances en de menselijke verhoudingen van een belangrijk overleg volledig missen. De drang om dit te implementeren is puur defensief. Bedrijven trekken bakken met geld uit om functies te bouwen waar niemand om heeft gevraagd, puur om te bewijzen dat ze nog meedoen.
Dit is inmiddels geen luxeprobleem meer voor softwareliefhebbers of kritische gebruikers. Als deze zeepbel barst omdat de beloofde productiviteitsrevolutie achterblijft bij de krankzinnige investeringen, zijn de gevolgen groter dan in het jaar 2000. Onze wereldeconomie is via private equity (buiten de beurs om verhandeld vermogen van grote investeerders) en pensioenfondsen veel dieper verweven met de techsector dan een kwarteeuw geleden. Een harde landing in Silicon Valley rimpelt direct door naar de reële economie, waar de gewone burger de klappen opvangt. De internetbubbel heeft ons uiteindelijk fantastische technologie gebracht, maar pas nadat het stof van de crash was opgetrokken en de markt gedwongen werd om weer te kijken naar wat de klant écht nodig had. Deze nieuwe technologie zal ongetwijfeld een blijvende impact hebben op onze wereld. Zolang softwarebedrijven hun eigen glazen ingooien en functionaliteit opofferen aan de goden van de hypecyclus, betalen wij als gebruikers de prijs voor hun paniek. Het wordt tijd dat we applicaties weer gaan waarderen om hun scherpte en menselijke synergie en niet om hun hippe modewoorden.
