Politiek bedrijven in een minderheidskabinet vraagt om een constante uitruil van idealen voor zetels en stabiliteit. D66 bevindt zich momenteel in het centrum van deze dynamiek. Als regeringspartij probeert de partij de grote maatschappelijke dossiers vlot te trekken. Dit gebeurt in een politiek landschap dat door versplintering op de rechterflank complexer is dan ooit. De vraag is wat er in de praktijk overblijft van de beloftes aan de kiezer en hoe de huidige koers zich verhoudt tot het gedachtegoed van de oprichters. De werkelijkheid laat zien dat er een flinke kloof gaapt tussen de landelijke strategie en de lokale praktijk.

Het asielbeleid is een dossier waarin de pragmatische koers van de partij direct zichtbaar wordt. Tijdens de campagne was de toon nuchter en werd er gesproken over meer grip op migratie. In de praktijk blijkt de partij echter vooral te leunen op internationale ontwikkelingen. De landelijke politiek wijst naar het Europese Asiel- en Migratiepact (de nieuwe Europese afspraken die in juni tweeduizend zesentwintig ingaan en zorgen voor strengere grenscontroles en snellere procedures). Door de verantwoordelijkheid bij Brussel neer te leggen, ontwijkt de partij een pijnlijke interne discussie over instroombeperking. Dit standpunt mist de nodige daadkracht. Het pact lost de opvangcrisis van vandaag niet op. Het is een formele vlucht naar voren die de indruk wekt dat de partij zelf geen harde keuzes durft te maken. De belofte van een streng en rechtvaardig asielbeleid wordt zo verpakt in Europese regelgeving om de eigen achterban niet te verliezen.

Op de woningmarkt zien we een vergelijkbare verschuiving van grote ambities naar moeizame realisatie. De partij beloofde honderdduizend woningen per jaar en de bouw van volledig nieuwe steden. In de dagelijkse realiteit van het minderheidskabinet loopt dit plan vast in een web van stikstofregels en een overbelast energienetwerk (het elektriciteitsnet dat vol zit, waardoor nieuwe wijken niet aangesloten kunnen worden). Om toch resultaat te boeken, verschuift de focus nu naar kleinere ingrepen. Er wordt ingezet op het schrappen van lokale bouwregels en het stimuleren van hospitaverhuur en woningdelen. Dat is nuttig op de korte termijn, maar het is geen structurele oplossing voor de enorme woningnood. De grote doorbraak blijft uit omdat de partij vasthoudt aan strenge milieunormen die de grootschalige bouw belemmeren. De pragmatische adviseur ziet hier een partij die klem zit tussen haar eigen duurzaamheidsidealen en de harde behoefte aan beton en stenen.

Het besturen vanuit een minderheidskabinet dwingt de partij tot zakendoen met een versplinterde rechterflank. De rechterzijde van het parlement is na de breuk binnen de PVV en de opkomst van partijen als JA21 en Forum voor Democratie onvoorspelbaar geworden. Voor D66 is deze versplintering een strategisch voordeel. De onderlinge concurrentie op rechts maakt het makkelijker om per dossier wisselende meerderheden te vinden. Tegelijkertijd zorgt het voor een verharding van het politieke debat. D66 profileert zich hierin als de bewaker van de rechtsstaat en de redelijkheid. Dat levert waardering op bij de eigen kiezers, maar het vergroot ook de polarisatie in de Kamer. De nuchtere realiteit is dat de partij regeert bij de gratie van de chaos bij de buren. Het landsbestuur is daardoor veranderd in een permanente onderhandeling waarin langetermijnvisie ontbreekt.

Als we kijken naar de geschiedenis van de partij, valt op hoe ver de huidige machtspolitiek afstaat van de oorsprong. Hans van Mierlo en Hans Gruijters richtten de partij in 1966 op met een duidelijk doel. Zij wilden het politieke stelsel ontploffen en de burger directe invloed geven via een gekozen premier en een districtenstelsel (een kiesstelsel waarbij afgevaardigden per regio worden gekozen). Peter Baehr en Erik Visser zorgden destijds voor de intellectuele en organisatorische basis. De oprichters zagen hun partij als een tijdelijk breekijzer om de democratie te vernieuwen. Vandaag de dag is de partij de ultieme systeempartij geworden. Het breekijzer is veranderd in een steunpilaar van de gevestigde orde. De focus ligt niet meer op democratische vernieuwing maar op bestuurlijke continuïteit en technocratische oplossingen. De partij is succesvol in het verwerven van macht, maar heeft het radicale democratische vuur van de beginjaren definitief achter zich gelaten.

Deze transformatie tot bestuurderspartij wreekt zich op lokaal niveau. De gemeenteraadsverkiezingen van 2026 hebben de spanningen tussen de landelijke lijn en de lokale realiteit blootgelegd. In Den Haag liepen de coalitieonderhandelingen tussen Hart voor Den Haag en D66 recentelijk volledig stuk op het asielbeleid. De lokale afdeling van D66 hield vast aan de uitvoering van de spreidingswet (de wet die gemeenten verplicht om asielzoekers op te vangen) en weigerde de geplande opvang aan de Sportlaan te schrappen. Voor de landelijke partijtop is de spreidingswet een principiële kwestie die niet onderhandelbaar is. Door deze landelijke wet over de lokale belangen heen te drukken, negeert de partij de specifieke zorgen in de Haagse wijken.

De loyaliteit van de Haagse D66-fractie ligt hiermee overduidelijk bij de landelijke politieke agenda en niet bij de directe wensen van de inwoners. Hierbij moet een belangrijk onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende groepen bewoners. De Hagenaars (de inwoners uit de traditionele volksbuurten en de migratiewijken) stemmen over het algemeen zelden op D66. Zij ervaren de komst van opvanglocaties vaak als een extra druk op de toch al schaarse voorzieningen in hun directe leefomgeving. De Hagenezen (de welgestelde inwoners van de zandwijken die de economische en culturele elite van de stad vormen) stemmen traditioneel wel in grote getale op de partij. Maar juist binnen deze eigen achterban groeit de frictie. De geplande opvang aan de Sportlaan ligt in een gebied waar veel van deze D66-stemmers wonen. Nu de landelijke principes concreet worden in hun eigen achtertuin, blijkt de solidariteit kwetsbaar. Lokale politici worden geconfronteerd met boze bewoners die zich niet gehoord voelen door de partij waar ze kort geleden nog op hebben gestemd. De weigering om lokaal water bij de wijn te doen heeft ertoe geleid dat D66 buitenspel staat en Den Haag nu afkoerst op een rechts college.

Dit patroon is niet uniek voor de hofstad. In tal van andere gemeenten zien we dat lokale D66-fracties worstelen met dezelfde spagaat. Landelijk gemaakte afspraken over de energietransitie en woningbouw dwingen lokale politici tot impopulaire maatregelen. Of het nu gaat om het plaatsen van windturbines nabij woonwijken in Utrecht of het aanwijzen van opvanglocaties in kleinere gemeenten (de druk vanuit Den Haag is constant). Lokale afdelingen die kiezen voor de landelijke dogmatiek verliezen de aansluiting met de praktijk in de gemeente. Kiezers die destijds stemden voor lokaal maatwerk zien nu een partij die functioneert als het administratieve doorgeefluik van landelijke ministers.

D66 toont zich in 2026 een stabiele maar kille factor in het landsbestuur. De partij slaagt erin om in een versplinterd politiek landschap de macht te behouden en haar stempel te drukken op wetgeving. De prijs die hiervoor wordt betaald is echter hoog. Landelijke beloftes over de woningmarkt en asiel worden verdund tot pragmatische compromissen of doorgeschoven naar Brussel. De binding met de lokale kiezer raakt ondertussen beschadigd door een rigide vasthouden aan landelijke richtlijnen. Dit bestuurlijke pragmatisme staat mijlenver af van de democratische vernieuwingsdrang van Van Mierlo en zijn medeoprichters. De partij is erin geslaagd om het centrum van de macht te veroveren, maar lijkt onderweg de verbinding met de praktijk van de burger te zijn kwijtgeraakt.