Wanneer we spreken over racisme en discriminatie vervallen we in het westen vaak in een reflex van collectieve zelfkastijding. Het gesprek wordt gedomineerd door het idee dat uitsluiting een uniek Europees of westers kwaad is dat zijn oorsprong vindt in het koloniale verleden. Wie echter met een antropologische bril naar de wereld kijkt ziet een veel complexer en ongemakkelijker beeld. Discriminatie is namelijk een universeel menselijk fenomeen dat in elke uithoek van de aardbol voorkomt maar de drijfveren erachter verschillen fundamenteel per regio. Waar de rest van de wereld vaak handelt vanuit een diepgewortelde xenofobie of de rauwe angst voor de vreemdeling lijkt het Europese racisme historisch gezien te zijn gestoeld op een misplaatst gevoel van superioriteit. Om de oorsprong van die vermeende superioriteit te begrijpen moeten we paradoxaal genoeg niet naar het moderne Europa kijken maar naar het verre oosten en de vergeten geschiedenis van ons eigen continent.
De gangbare geschiedschrijving wil ons doen geloven dat de witte superioriteitsgedachte een product is van de Europese verlichting en de daaropvolgende industriële revolutie. De waarheid is echter dat de obsessie met een lichte huidskleur als moreel en sociaal kompas al duizenden jaren diep verankerd zit in de Aziatische cultuur. In India werd het kastenstelsel al in de oudheid vormgegeven op basis van de varna wat letterlijk kleur betekent. De lichte Indo-Ariërs die het subcontinent binnentrokken plaatsten zichzelf bovenaan de piramide terwijl de donkere oorspronkelijke bewoners werden gedegradeerd tot de laagste sporten van de samenleving. In dit systeem was een donkere huid niet slechts een fysiek kenmerk maar een teken van spirituele tekortkoming in een vorig leven.
Deze Aziatische hiërarchie had een praktische en agrarische basis die nog steeds zichtbaar is in de moderne maatschappij. Een donkere huid stond synoniem voor zware arbeid in de brandende zon op het veld terwijl een bleke huid bewees dat men tot de elite behoorde die binnenshuis kon blijven. Dit esthetische ideaal was al duizenden jaren de norm voordat de eerste Europese schepen de kusten van Azië bereikten. Het is een confronterende gedachte dat de Europeanen de blauwdruk voor hun latere rassenleer deels aangereikt kregen door de volkeren die zij later zouden ontmoeten. De Aziatische fixatie op de lichte huid heeft het Europese ego gevoed en gaf een schijnbare rechtvaardiging aan de pseudowetenschappelijke theorieën die pas veel later in Europa de kop opstaken.
Wie de Europese geschiedenis voor de middeleeuwen bestudeert ziet namelijk een opvallende afwezigheid van dit systematische racisme. In de oudheid was Europa een wereld waarin cultuur en burgerschap de enige relevante graadmeters waren. Het Romeinse Rijk was een gigantische smeltkroes van etniciteiten waarin een zwarte Numidiër uit Noord-Afrika kon opklimmen tot de hoogste rangen of zelfs het keizerschap. De Romeinen keken neer op barbaren maar dat oordeel was gebaseerd op een gebrek aan beschaving en niet op de hoeveelheid pigment in de huid. Zelfs in de Noorse sagas vinden we sporen van deze pragmatische houding. Geirmund Heljarskinn de beroemde zwarte Viking is hier een sprekend voorbeeld van. Moderne interpretaties proberen hem soms onterecht als Afrikaan neer te zetten maar historisch en genetisch onderzoek wijst eerder op een Mongoolse of Siberische achtergrond. Voor zijn tijdgenoten was zijn donkere huidskleur een curiositeit maar geen belemmering voor zijn status als koning en krijger. Het concept van ras als biologische rangorde was de vroege Europeanen volkomen vreemd.
De omslag vond plaats toen de Europese exploratiedrift botste met de reeds bestaande hiërarchieën in Azië en Amerika. De Europeanen die na de middeleeuwen de wereld introkken waren niet langer de kleurenblinde burgers van het Romeinse Rijk maar een klasse die zocht naar een morele rechtvaardiging voor hun expansiedrift. Zij vonden in het Indiase kastenstelsel en de Aziatische verheerlijking van witheid een spiegel die hun eigen opkomende arrogantie bevestigde. De nazi’s zouden eeuwen later deze connectie expliciet maken door de term Ariër te kapen en deze te presenteren als een verloren Europees ideaal van zuiverheid terwijl de wortels ervan diep in de bodem van de Ganges lagen.
Het is dan ook te gemakkelijk om alle vormen van uitsluiting uitsluitend bij het westen neer te leggen. Als we kijken naar de huidige wereldwijde statistieken dan zien we dat discriminatie in Afrika en Azië vaak veel explicieter is dan in Europa. In veel van deze regio’s is racisme gebaseerd op een diepe achterdocht tegenover de vreemdeling wat voortkomt uit een overlevingsinstinct van de eigen groep. In Europa daarentegen is het racisme geraffineerder en paternalistischer. Het komt niet voort uit angst voor de kracht van de ander maar uit een historisch gegroeid misverstand dat de witte mens aan de top van de natuurlijke orde staat. Dit is een vorm van discriminatie die uitgaat van een veronderstelde morele en intellectuele voorsprong wat het debat in het westen zo giftig maakt.
De confrontatie met deze feiten is noodzakelijk voor een eerlijk debat over de huidige maatschappelijke spanningen en de asielproblematiek. Wanneer we begrijpen dat de rest van de wereld vaak handelt vanuit een diepe xenofobie kunnen we onze eigen naïviteit laten varen. Het idee dat de hele wereld streeft naar een inclusieve multiculturele samenleving is een westerse projectie die geen stand houdt in de praktijk. In veel culturen is de eigen identiteit onlosmakelijk verbonden met de uitsluiting van de ander en wordt de witte mens weliswaar soms benijd om zijn welvaart maar zelden gezien als een moreel voorbeeld van tolerantie.
De geschiedenis leert ons dat racisme een veelkoppig monster is dat zich in elke cultuur anders manifesteert. Door de oorsprong van de Europese superioriteitsgevoelens deels terug te voeren naar de Aziatische invloeden en de breuk met onze eigen inclusieve oudheid ontstaat een beeld dat minder gericht is op morele schuld en meer op antropologische wetmatigheden. We moeten erkennen dat de witte mens het racisme niet heeft uitgevonden maar dat hij een bestaand wereldwijd systeem van kleurendiscriminatie heeft geadopteerd om zijn eigen machtspositie te legitimeren. De waarheid is vaak minder sociaal wenselijk dan we zouden willen maar ze is essentieel om de dynamiek van de moderne wereld te doorgronden en de naïviteit van het midden achter ons te laten.
