Sinds zijn tweede termijn als president heeft Donald Trump duidelijk laten zien dat hij graag een buitenlandse overwinning wil die hem internationale erkenning oplevert. Een “win” die zijn politieke nalatenschap versterkt en zijn kritici het zwijgen oplegt. Venezuela werd gezien als een kans om zo’n overwinning te behalen. De ontvoering van Nicolás Maduro leek een snelle oplossing, een manier om een regime te verwijderen dat de Verenigde Staten al jaren dwarszat. Maar in de praktijk veranderde er weinig. Maduro’s vertrek leidde niet tot de instorting van het chavistische systeem. Integendeel, het land bleef instabiel, de economische crisis bleef voortduren en de Amerikaanse invloed in de regio groeide niet noemenswaard. Venezuela werd al snel beschouwd als een mislukte interventie, een voorbeeld van hoe moeilijk het is om politieke verandering af te dwingen, zelfs met directe actie.
Nu, twee maanden later, zien we dezelfde dynamiek terug in de opkomende spanningen rond Iran. Dit is geen klassieke oorlog tussen staten, maar een conflict dat zich afspeelt in de grijze zones van macht, economie en asymmetrische oorlogsvoering. Het is een spel waarbij de Verenigde Staten, ondanks hun militaire superioriteit, vastzitten in een strategisch dilemma dat steeds meer lijkt op een onwinnbare situatie.
De kern van het probleem ligt in de aard van Iran zelf. Iran is geen zwakke staat die je kunt ontmantelen door simpelweg de leiders uit te schakelen. Het is een land met een diepgewortelde, gelaagde machtsstructuur die zich uitstrekt over het leger, de Revolutionaire Garde, religieuze leiders en een netwerk van proxies in de regio. Als je de politieke top wegneemt, neemt de IRGC of een andere factie de macht over, en het resultaat is niet instabiliteit, maar een nog agressievere en onvoorspelbaardere actor. Dit is geen scenario uit een Godfather-film, waar het afhakken van het hoofd van de slang het probleem oplost. Hier groeien er twee nieuwe hoofden voor in de plaats.
Wat dit conflict bijzonder maakt, is dat Iran niet hoeft te winnen in militaire zin om de Verenigde Staten te raken. Ze hoeven alleen maar de kosten van het conflict hoog genoeg te maken. Een blokkade van de Straat van Hormuz, waar 20 procent van de wereldwijde olie doorheen stroomt, zou de olieprijs kunnen laten exploderen tot 150 of 200 dollar per vat. Dit zou niet alleen de Amerikaanse economie raken, maar ook die van bondgenoten in Europa en Azië. De VS zouden gedwongen zijn om extra troepen en middelen in te zetten om de scheepvaart te beschermen, wat de begroting verder onder druk zet. Intussen kunnen Iraanse proxies zoals Hezbollah, de Houthis en sjiitische milities in Irak de VS op meerdere fronten onder druk zetten, zonder dat Iran zelf direct betrokken hoeft te zijn.
De Verenigde Staten zitten gevangen in een catch-22. Te veel druk uitoefenen op Iran riskeert een regionale oorlog en economische chaos. Te weinig doen betekent dat Iran en zijn proxies de controle over de regio kunnen overnemen, wat de Amerikaanse invloed verder verzwakt. Het Congres heeft na de ervaringen in Irak en Afghanistan geen politieke wil voor een nieuwe grootschalige oorlog. De Verenigde Naties zullen elke militaire actie blokkeren, dankzij de steun van Rusland en China. Europa, afhankelijk van Iraanse olie via China, zal ook terughoudend zijn.
De historische parallellen met Vietnam, Irak en Afghanistan zijn treffend. De VS hebben moeite gehad om oorlogen te winnen tegen tegenstanders die geen conventioneel leger hebben, steun genieten van de lokale bevolking en externe hulp krijgen. Iran voldoet aan al deze criteria. De IRGC en proxies vechten als guerrillastrijders, het regime heeft steun onder conservatieven en hardliners, en Rusland en China zullen Iran blijven steunen. Dit maakt een militaire overwinning voor de VS onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk.
Wat kunnen de VS dan wel doen? Grote kans dat ze geen grootschalige oorlog zullen starten, maar zich zullen richten op gerichte aanvallen, cyberoorlog en verdere economische druk. Diplomatie via tussenpersonen zoals Oman of Qatar blijft een optie, maar de ruimte voor onderhandelingen is klein. Iran weet dat het de VS niet hoeft te verslaan, alleen maar de prijs van het conflict hoog genoeg hoeft te maken.
Dit conflict is een voorbeeld van hoe de wereld na 2020 is veranderd. Het is niet langer een kwestie van directe militaire confrontaties, maar van economische druk, asymmetrische oorlogsvoering en geopolitieke schaakspelletjes. De Verenigde Staten, ondanks hun kracht, zitten vast in een web van beperkingen en paradoxen. Iran, ondanks zijn zwakkere positie, heeft genoeg middelen om de VS in een onwinnbare situatie te manoeuvreren. Het is een spel waarbij de sterkste niet per se wint, maar waarbij de zwakkere partij genoeg kaarten in handen heeft om de sterkere te laten struikelen.
De les hieruit is dat macht in de 21e eeuw niet langer alleen wordt gedefinieerd door militaire kracht, maar door het vermogen om systemen te verstoren, economische druk uit te oefenen en de kosten van conflict voor de tegenstander onacceptabel hoog te maken. In deze nieuwe wereld is een oorlog niet iets dat je wint of verliest, maar iets dat je probeert te vermijden, terwijl je tegelijkertijd probeert je belangen te beschermen. Het is een delicate balans, en in het geval van Iran lijkt die balans voor de Verenigde Staten steeds moeilijker te vinden.
