Het internet heeft veel kanten, soms verlichtend en verbindend, maar net zo vaak donker en ongeremd. In de afgelopen jaren heeft Nederland gezien hoe online discussies over dieren steeds vaker ontsporen in bedreigingen, aanzetten tot mishandeling en openlijke instructies om dieren te verwonden of te doden. Toch gebeurt er vrijwel niets. Waar de wet duidelijke grenzen trekt bij bedreigingen tegen personen, blijft de digitale dreiging richting dieren onbestraft. Dit lijkt een bizarre omissie in een samenleving die zichzelf graag ziet als vooruitstrevend op het gebied van dierenrechten. Het is tijd om te onderzoeken waarom deze vorm van agressie zo vrij spel heeft en welke mogelijkheden er zijn om het beter te reguleren.

De online wolven discussie laat zien hoe normalisatie werkt. In talloze Facebookgroepen en fora roepen hondeneigenaren dat wolven moeten worden afgeschoten. De argumentatie is steeds dezelfde. Nederland zou te klein zijn voor grote roofdieren, schapenhouders zouden onbeschermd zijn en de veiligheid van kinderen zou in het geding komen. Wie de cijfers erbij pakt ziet echter een ander beeld. Honden veroorzaken jaarlijks duizenden bijtincidenten, variërend van lichte verwondingen tot ernstige aanvallen. Datzelfde geldt voor schadelijke interacties met wilde fauna. Nederlandse natuurorganisaties melden dat loslopende honden elk jaar tienduizenden wilde dieren doden, van jonge reeën tot vogels in broedseizoen. Tegelijkertijd staan wolven aan de basis van slechts een klein aantal incidenten, vrijwel altijd gericht op onbeschermde schapen en vrijwel nooit op mensen.

De feiten spreken dus een andere taal, maar online discussies volgen geen feiten. Ze volgen emoties. En online worden die emoties niet begrensd. Daar begint de echte problematiek. In groepen over jacht, honden of natuurbeheer verschijnen berichten waarin mensen beschrijven hoe wolven moeten worden vergiftigd, hoe valstrikken kunnen worden gezet of hoe je op een illegale manier een wolf afschiet zonder gepakt te worden. Zulke berichten verdwijnen soms na een melding maar vaak ook niet. En zelfs als ze verdwijnen is er geen consequentie. De persoon achter het account krijgt geen boete, geen waarschuwing en geen aantekening. Het algoritme draait door alsof het nooit heeft bestaan.

Maar het gaat verder dan wolven. De hardste voorbeelden komen juist uit de alledaagse context van katten en honden. In buurtapps, tuinfora en socialemediagroepen delen mensen openlijk methoden om katten te verwonden die door hun tuin lopen. Er circuleren instructies om bakjes met antivries buiten neer te zetten, om spijkers in tennisballen te stoppen die katten aantrekken of om katten te lokken met geurstoffen en ze vervolgens pijn te doen. Het internet kent discussies waarin mensen elkaar tips geven om honden te vergiftigen met gehaktballetjes gevuld met scherpe voorwerpen of chemische stoffen. Het is nauwelijks te bevatten dat dit gebeurt in een land waar de meeste huishoudens een hond of kat hebben en waar emotionele verbondenheid met huisdieren groot is.

Toch blijft het juridische vacuüm bestaan. De Nederlandse wet kent twee relevante domeinen. Bedreiging van personen is strafbaar en dierenmishandeling is strafbaar. Maar het aanzetten tot dierenmishandeling, het instrueren hoe je dieren kunt kwaad doen en het openlijk dreigen met geweld richting dieren valt in de praktijk tussen wal en schip. Het is niet strafbaar om te zeggen dat je een kat zou willen vergiftigen. Het is niet strafbaar om te schrijven hoe je dat doet. En het is niet strafbaar om op een forum te roepen dat je hoopt dat een wolf levend wordt gevild. Zolang er geen daadwerkelijk delict wordt gepleegd, beschouwt het strafrecht dit als meningsuiting.

Maar dat uitgangspunt is niet meer houdbaar. Online bedreiging van dieren normaliseert twee zaken die gevaarlijk zijn. Ten eerste zorgt het voor maatschappelijke acceptatie van dierenhaat. Wat steeds herhaald wordt voelt na verloop van tijd legitiem. Het leidt tot polarisatie tussen groepen dierenliefhebbers en mensen die dieren vooral zien als hinderlijke objecten. Ten tweede vormt het een concrete risicozone voor daadwerkelijke delicten. Online radicalisering is niet alleen een fenomeen van politiek extremisme, het speelt ook binnen subculturen rond jacht, huisdierenoverlast en natuurbeheer. De stap van bedreigen naar handelen wordt kleiner wanneer gelijkgestemden elkaar bevestigen dat het normaal is.

Dat roept de vraag op hoe wetgeving zich kan ontwikkelen om dieren dezelfde digitale bescherming te geven als mensen. In verschillende landen verschijnen nieuwe concepten binnen het strafrecht waarin de bescherming van dieren wordt uitgebreid naar digitale context. Juristen signaleren dat het beginsel van aanzetten tot geweld breder geïnterpreteerd kan worden wanneer het gaat om dieren die volledig afhankelijk zijn van menselijk handelen. Nederland zou een wetsaanpassing kunnen overwegen waarin het aanzetten tot dierenmishandeling expliciet strafbaar wordt gesteld. Daarin kan een vergelijkbare redenering worden gevolgd als bij haatzaaien en bedreiging richting personen.

Een eerste model zou zijn om online uitingen die instructies geven voor het doden of verwonden van dieren te beschouwen als voorbereiding van een strafbaar feit. Dit past binnen bestaande constructies in het Wetboek van Strafrecht waarin de voorbereiding van geweld delicten strafbaar is wanneer deze een concrete handeling omvat. Het delen van vergiftigingsrecepten of valstrikmethoden voldoet aan dat criterium. Het is een praktische handeling met het doel dieren te schaden. Daarmee valt het niet langer onder vrije meningsuiting.

Een tweede model zou zijn om dieren bedreigingen een eigen categorie te geven binnen cybercriminaliteit. Net zoals er regels bestaan voor online intimidatie van personen, kan er een samenhangend kader komen voor intimidatie van dieren. Dat kader hoeft niet identiek te zijn, maar moet wel een signaal afgeven dat dieren volwaardige rechtssubjecten zijn binnen het publieke debat. Dit betekent dat mensen online niet mogen oproepen tot geweld tegen dieren, ook niet als dat in de context van frustratie of humor gebeurt.

De derde stap is handhaving. Zonder een meldpunt en zonder digitale monitoring blijft elke wetswijziging een papieren tijger. Nederland heeft al meldpunten voor discriminatie, cyberpesten en kinderporno. Een meldpunt voor digitale bedreiging van dieren zou een logische uitbreiding zijn. Dat meldpunt kan platformen verplichten om dreigende uitingen door te sturen naar toezichthouders, net zoals dat nu al gebeurt bij extremisme. Het zou ook burgers in staat stellen om snel en laagdrempelig incidenten te melden, zodat er een realistisch beeld ontstaat van de omvang van het probleem.

Onderzoek uit Duitsland en de Scandinavische landen laat zien dat meldpunten effectief zijn wanneer ze actief worden gekoppeld aan politie en justitie. In Noorwegen wordt het aanzetten tot mishandeling van dieren sinds 2018 beschouwd als een vorm van geweldspreventie omdat vroeg signaleren inzicht geeft in bredere patronen van agressie. In Duitsland wordt het online delen van gifrecepten voor huisdieren inmiddels vervolgd onder de noemer gevaarzetting, mits er sprake is van uitvoerbare instructies. Deze voorbeelden laten zien dat Nederland niet vanaf nul hoeft te beginnen.

Daarnaast is er een maatschappelijke kant die niet mag worden onderschat. Het online bedreigen van dieren komt voort uit frustratie over overlast, uit misverstanden over biodiversiteit en uit angsten die vaak worden ingegeven door onjuiste informatie. De wolf is hier een schoolvoorbeeld van. Het dier is in veel opzichten ongevaarlijker voor mensen dan een gemiddelde loslopende hond, maar dat verhindert miljoenen Nederlanders niet om een irrationele dreiging te zien. In plaats van bedreigingen te tolereren moet Nederland investeren in realistische voorlichting over dieren in de natuur en over verantwoordelijk huisdierbezit. Juist dat helpt om conflicten te verminderen.

Een wetswijziging is dus geen aanval op vrijheid van meningsuiting maar een modernisering van het recht. Meningsuiting houdt op waar geweld begint, en het expliciet uitwerken van methodes om dieren te verwonden is geweld in voorbereiding. Dieren zijn afhankelijk van mensen en kunnen zichzelf niet verdedigen, laat staan reageren op bedreigingen. In dat opzicht is het niet meer dan logisch om ze dezelfde digitale bescherming te bieden als kwetsbare groepen mensen.

De vraag is niet langer of online bedreiging van dieren moet worden aangepakt maar wanneer. Platformen als Facebook, Instagram, Telegram en grote buurtapps zouden verplicht kunnen worden om bedreigingen richting dieren direct te verwijderen en te melden. Gemeenten zouden meldpunten kunnen opzetten waarin buurtconflicten over dieren worden gemonitord. De Rijksoverheid zou kunnen werken aan een wettelijk kader waarin het digitaal aanzetten tot mishandeling expliciet strafbaar wordt.

Dit alles zou niet alleen dieren beschermen maar ook de samenleving zelf. Want wie bereid is online te beschrijven hoe hij een kat wil vergiftigen, wie uit werkt hoe een hond moet worden verwond en wie uitlegt hoe een wolf kan worden gedood zonder sporen achter te laten, begeeft zich in een mentale zone die vroeg of laat aandacht van justitie verdient. Uit criminologisch onderzoek weten we dat geweld tegen dieren expliciet samenhangt met geweld tegen mensen. Het negeren van digitale dierenbedreiging is dus niet alleen een collectieve morele mislukking maar ook een risico voor bredere veiligheid.

Nederland noemt zichzelf graag een land van fatsoen en respect. Maar echte beschaving blijkt pas wanneer die begrippen worden toegepast op de meest weerloze wezens die we kennen. Dieren kunnen niet praten, niet aangifte doen en niet opkomen voor zichzelf. Juist daarom moet de digitale wereld geen vrijplaats blijven waarin hun lijden wordt besproken alsof het entertainment is. De tijd is rijp voor nieuwe regels, nieuwe handhaving en een nieuw bewustzijn. Dieren verdienen dezelfde digitale bescherming als mensen en een samenleving die zichzelf serieus neemt kan niet anders dan dat eindelijk erkennen.

,