Politiek is een taal die ooit bedoeld was om de samenleving begrijpelijker te maken, maar in de praktijk vooral heeft geleid tot verwarring. Wie zich verdiept in de manier waarop mensen hun politieke voorkeur beschrijven ziet al snel hoe vaak begrippen door elkaar heen worden gebruikt. Vooral binnen de flanken is de spraakverwarring compleet. Mensen die stemmen op partijen die zichzelf extreem rechts noemen, blijken vaak denkbeelden aan te hangen die helemaal niet volledig passen binnen dit klassieke links rechts spectrum. De termen zijn verouderd en worden door generaties op een andere manier geïnterpreteerd waardoor discussies over beleid en waarden veranderen in botsende frames. Een moderne democratie vraagt om een modern vocabulaire en misschien is het tijd om eindelijk afscheid te nemen van het simpele links rechts denken.

Het links rechts model ontstond tijdens de Franse Revolutie. In het parlement zaten de radicale hervormers links en de behoudende krachten rechts. Die fysieke ordening werd jaren later een ideologisch kompas waarin links staat voor gelijkheid en sociale bescherming en rechts voor individuele vrijheid en economisch liberalisme. Dit model had ooit logica omdat economie de kern vormde van politieke strijd. Maar de politieke wereld van nu draait steeds minder om belastingtarieven of de rol van de overheid. Moderne politiek gaat over identiteit, cultuur, globalisering, migratie, klimaatverandering en technologische onzekerheid. Daardoor lopen mensen totaal vast wanneer zij hun positie proberen te bepalen op basis van een indeling die vooral hoort bij de tijd dat Europa nog industriële arbeidersmassa’s kende. De wereld is veranderd en het begrippenkader is blijven steken in de negentiende eeuw.

De verwarring wordt vooral zichtbaar bij groepen die zichzelf als rechts zien en verwachten dat rechts staat voor hard optreden tegen criminaliteit, grenzen bewaken en behoud van cultuur. Tegelijkertijd stemmen diezelfde groepen niet zelden op partijen die economisch helemaal niet rechts zijn, maar juist sterk leunen op herverdeling, subsidies of een sterke overheid. De studie van de Universiteit van Amsterdam naar stemgedrag rond populistische partijen laat zien dat de meeste kiezers zich vooral aangetrokken voelen tot culturele standpunten en veiligheid, maar economen wijzen erop dat dezelfde partijen vaak meer lijken op traditionele linkse partijen als het gaat om sociaal beleid. Progressief en conservatief zouden begrijpelijkere termen zijn omdat ze aangeven in hoeverre iemand veranderingen omarmt of juist vasthoudt aan tradities. Maar zelfs die tweedeling raakt tekort omdat veel kiezers progressief kunnen zijn op het gebied van economie en tegelijk conservatief op sociaal gebied of andersom.

Daarnaast is er het toenemende aantal kiezers dat nationalistisch stemt. Nationalisme wordt vaak gelijkgesteld aan extreem rechts, maar dat is te simplistisch. Nationalisme kan economisch links of rechts zijn en zowel progressief als conservatief. Het draait om de vraag wie er wordt gezien als onderdeel van de gemeenschap en hoe de staat zich moet verhouden tot internationale afspraken. Daarom werkt het links rechts model niet meer zodra beleid raakt aan migratie, Europese integratie of culturele identiteit. In veel landen in Europa is dat precies waar verkiezingen om draaien. Je ziet dit duidelijk in Nederland waar partijen die zichzelf rechts noemen pleiten voor meer overheidsingrijpen, hogere uitgaven voor zorg en een sterke nationale industrie. Tegelijkertijd gebruiken zij een taal die niet past bij het klassieke conservatisme omdat het niet gaat over geleidelijke verandering maar over radicale breuken.

Onderzoekers van de London School of Economics beschreven dit al eerder als een braakliggend politiek landschap dat niet meer draait om economische klassen maar om culturele onzekerheid. Mensen stemmen minder op basis van hun portemonnee en meer op basis van hun wereldbeeld. Een onderzoek van Eurobarometer uit 2024 laat zien dat jongeren zich helemaal niet herkennen in links of rechts omdat sociale thema’s, klimaat en identiteitskwesties hun politieke houding meer bepalen dan economische strijd. Daardoor schuift de politiek in heel Europa op richting een driedeling die veel meer past bij de werkelijkheid namelijk progressief, conservatief en nationalistisch. Progressief staat hierbij voor vooruitgangsgeloof, internationale samenwerking en sociale gelijkheid. Conservatief draait om behoud van traditie, orde en geleidelijke verandering. Nationalistisch richt zich op bescherming van de nationale gemeenschap, culturele homogeniteit en soevereiniteit.

Wanneer je politiek bespreekt vanuit deze driedeling verdwijnen een hoop misverstanden. Een partij als GroenLinks wordt niet langer automatisch gezien als linkse tegenpool van conservatieve partijen maar als een progressieve kracht die streeft naar meer internationale samenwerking en sociale verandering. Een partij als VVD wordt dan niet meer gezien als typisch rechts maar als gematigd conservatief met een liberale economische inslag. En partijen die zichzelf extreem rechts noemen vallen veel duidelijker in het hokje nationalistisch omdat zij een wereldbeeld uitdragen waarin nationale identiteit, gesloten grenzen en behoud van cultuur centraal staan. Dat schept helderheid omdat je dan direct ziet waarom sommige kiezers zich thuis voelen bij dat nationalistische verhaal zonder dat zij het gevoel hebben rechts te zijn in economische zin. Je noemt de dingen zoals ze zijn en je stopt met het slepen van negentiende eeuwse concepten door een eenentwintigste eeuws landschap.

Het interessante is dat uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat de meeste Nederlanders helemaal niet radicaal zijn. De gemiddelde kiezer zit vaak cultureel iets conservatiever dan politieke partijen vermoeden en economisch iets progressiever dan traditionele rechtse partijen aannemen. De politieke strijd wordt daardoor gedomineerd door kleine maar luidruchtige groepen aan de randen die elkaar bestrijden met begrippen die zij vaak zelf slecht begrijpen. Door de taal te veranderen, verandert mogelijk ook het debat. Een gesprek over progressieve en conservatieve waarden maakt duidelijk waar de verschillen zitten zonder de morele lading van links of rechts. En wie het over nationalisme heeft kan uitleggen wat dat betekent zonder te vervallen in karikaturen of demonisering. Het debat wordt daarmee minder een wedstrijd en meer een zoektocht naar de vraag hoe we willen samenleven.

Een bijkomend voordeel is dat progressief, conservatief en nationalistisch beter aansluiten bij internationale analyses. Politicologen werken al jaren met het idee dat politiek bestaat uit meerdere assen die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen. Iemand kan economisch links zijn maar zeer conservatief in sociale kwesties. Iemand kan economisch rechts zijn maar progressief op migratie of klimaat. Dat is in Nederland niet anders. De rigiditeit van links rechts verhult deze complexiteit en werkt polarisatie in de hand. Wanneer kiezers denken uit twee kampen te moeten kiezen, worden verschillen uitvergroot en nuance verdwijnt terwijl veel politieke problemen juist vragen om samenwerking tussen uiteenlopende waardensystemen. Klimaatbeleid werkt bijvoorbeeld alleen als progressieve idealen worden verbonden aan conservatieve zorgen over betaalbaarheid en nationale belangen.

De opkomst van AI, globalisering en massamigratie laat zien dat oude ideologieën niet voorbereid waren op de schaal en snelheid van verandering. Politieke partijen vallen daardoor terug op identiteitsretoriek. Nationalistische partijen doen dat expliciet door te wijzen op culturele dreiging en verlies van controle. Progressieve partijen benadrukken juist de noodzaak van internationale regels en bescherming van minderheden. Conservatieve partijen zoeken een balans tussen orde en modernisering. Deze driedeling sluit naadloos aan bij wat burgers voelen en kan daarom een betere basis vormen voor politieke communicatie. Het publiek begrijpt deze woorden intuïtiever dan links en rechts, omdat ze omschrijven hoe iemand naar de wereld kijkt in plaats van welke economische positie iemand inneemt.

De vraag blijft of een nieuw vocabulaire voldoende is om het politieke klimaat te verbeteren. Misschien niet volledig, maar het kan wel helpen. Woorden bepalen hoe we denken en hoe we elkaar benaderen. Wanneer mensen niet langer gevangen zitten in de vijandigheid van links of rechts ontstaat ruimte voor gesprekken over waarden en verwachtingen. Mensen die nu stemmen uit frustratie of angst worden dan niet automatisch weggezet als rechts maar gezien als nationalistische kiezers met legitieme zorgen. Progressieve kiezers worden niet langer beschuldigd van naïef idealisme maar erkend als voorstanders van sociale verandering. Conservatieven worden niet langer weggezet als achterhoede maar als mensen die stabiliteit belangrijk vinden. Die nuance maakt politiek draaglijker en realistischer.

Het is misschien een kleine stap om anders te praten over politiek maar het zou een groot effect kunnen hebben op hoe we elkaar zien. De samenleving van vandaag is te complex om te vangen in twee woorden die stammen uit een tijd van kaarslicht en karren. Progressief, conservatief en nationalistisch vormen een eerlijker kompas voor een wereld waarin identiteit, globalisering en technologie de nieuwe assen zijn waarlangs mensen hun toekomstbeeld bepalen. Het is tijd dat we onze taal aanpassen aan de werkelijkheid, zodat politiek weer begrijpelijk wordt en niet langer een strijdtoneel van misverstanden. Door de juiste woorden te kiezen maken we de weg vrij voor een debat dat minder polariserend is en meer gaat over wat mensen echt beweegt. Dat is uiteindelijk de kern van wat een gezonde democratie nodig heeft en precies waarom een nieuwe politieke taal geen luxe is maar noodzaak.